Van labelen naar compassie: Hoe onze emotionele wonden ons kunnen verbinden 

ADHD, depressie, borderline, burn-outs: we labelen wat af. Maar helpen die labels ons? Of pathologiseren ze wat menselijk is? Redacteur Roanne van Baren duikt in haar eigen label-dossier en ontdekt dat tussen de labels door verbinding tussen echte mensen mogelijk is. 

Mijn benen trillen. De controle over mijn emoties en gedragingen verdwijnen samen met de tranen uit mijn lijf. Zo’n soort huilen is nieuw voor mij. Ik ken het zachtjes huilen, met zelfmedelijden huilen of boos huilen, maar niet dit alles overnemende verdriet. Drie mensen staan voor mij opgesteld in mijn familieopstelling. Ik kijk naar de representant van mijn vader en voel de stroom tranen toenemen. “Wil je iets aan je vader vragen?” zegt de begeleider. De woorden komen ondanks mezelf uit mijn mond: “Waarom ging je weg? Ik was zo klein en had je nodig. Ik heb je zo gemist.” En opnieuw schreeuwt het verdriet.

De afgelopen zeven jaar ben ik op een queeste geweest om mijn angst voor verlating, afwijzing, de toekomst en het verleden te leren begrijpen. Ik ging ermee naar therapeuten en zieners, volgde meditatie- en zelfcompassie cursussen, las psychologische en spirituele boeken en reflecteerde op mijn gedragingen en emoties. In mijn queeste ben ik gelabeld en heb ik mezelf gelabeld. In mijn huisartsendossier staat een gegeneraliseerde angststoornis, periodes uit mijn jeugd hebben depressieve kenmerken, na mijn studie ervaarde ik iets wat je overspannen-zijn kan noemen, soms betrap ik mezelf op borderline trekjes en sinds ik de criteria voor hooggevoeligheid heb ontdekt, weet ik dat dit persoonlijkheidskenmerk op mij van toepassing is.

We zijn gek op labelen. Klassen zitten vol kinderen met autisme, ADHD’ers, persoonlijkheids- en angststoornissen. Een op de zes werknemers heeft het labelburn-out’, volgens de laatste cijfers van volksgezondheid en zorg. Acht procent van de Nederlanders kampt met een depressie. En uit onderzoek naar angststoornissen blijkt dat 1,1 miljoen mensen hier last van heeft.  

Mensen die gediagnosticeerd worden met dezelfde stoornis zijn in de praktijk helemaal niet met elkaar vergelijkbaar

Sinds 2017 wordt psychische hulp alleen vergoed wanneer mensen gediagnosticeerd worden met een stoornis uit de DSM-V (het diagnostisch en statistisch handboek voor psychische stoornissen). Mensen die worstelen met existentiële zaken zoals rouw, verlies van werk of een echtscheiding, krijgen geen vergoeding. Tenzij een therapeut een labeltje plakt, zoals een gegeneraliseerde angststoornis. En zo vliegen de labels als warme broodjes over de toonbank. Veertig procent van de bevolking is inmiddels gediagnosticeerd met een of meerdere psychische aandoeningen

Volgens psychoanalyticus Paul Verhaeghe is hier iets raars aan de hand. Het aantal mensen met een stoornis is toegenomen tegelijkertijd met de de stijging van het aantal labels in de DSM, is hem opgevallen tijdens zijn carrière. Waar de tweede editie nog 180 stoornissen telde, heeft de vijfde er inmiddels meer dan 500. Voor hem duidt dit op een ongezonde benadering in de psychiatrie waarin het ‘ziektemodel’ in de afgelopen jaren dominant is geworden. Verhaeghe: “Het idee hierbij is dat psychische symptomen voortkomen uit onderliggende lichamelijke processen, waarbij de omgeving alleen wordt gezien als een trigger voor deze processen. Het uitgangspunt daarbij is dat een mentale ziekte bij verschillende patiënten steeds dezelfde is, zodat de diagnose min of meer beperkt kan blijven tot een label. De behandeling verloopt volgens een protocol.” 

labelen naar compassie

En zo zijn we beland in een deterministisch mensbeeld. Iemand met ADHD heeft nu eenmaal weinig concentratie omdat diegene zo geboren is. En iemand met borderline is nu eenmaal genetisch belast met heftige emoties. Maar die benadering klopt niet, stelt Verhaeghe. Ten eerste is er nog geen overtuigend bewijs gevonden voor lichamelijke oorzaken die ten grondslag zouden liggen aan de stoornissen. En ten tweede zijn de mensen die gediagnosticeerd worden met dezelfde stoornis in de praktijk helemaal niet met elkaar vergelijkbaar. De stoornissen in de DSM worden, volgens de psychoanalyticus, eerder bepaald door willekeur, belangengroepen en vooroordelen van psychiaters. 

“Misschien ben je geen angstig persoon met melancholische trekjes die soms net zo op en neer kan gaan in haar emoties als iemand met borderline, maar een normaal mens met een groot gemis.”

“De criteria zijn niet waardevrij, maar reflecteren veeleer de huidige normatieve sociale verwachtingen. Psychodiagnostische criteria berusten op sociale normen, op wat al dan niet aanvaardbaar is binnen een bepaalde maatschappij. Gestoord-zijn is in wezen ‘abnormaal’ zijn, afwijkend van de verwachte norm,” schrijft Verhaeghe. Lukt het je niet meer te doen alsof alles goed met je gaat, dan is het label depressie voor de hand liggend. Kun je niet meer meedraaien in de druk-druk-druk-norm, dan krijg je het label burn-out. Is het onderdrukken van je emoties onmogelijk geworden, dan is borderline misschien wel jouw label. 

We hebben de labelcultuur met beiden handen aangegrepen, volgens Verhaeghe, zodat we kunnen ontsnappen aan het gevoel dat we gefaald hebben. Ouders kunnen hun schuldgevoel afschudden en ADHD en dyslexie aanwijzen als oorzaken van de leerproblemen van hun kinderen. Mensen met angststoornissen, depressies en bipolaire stoornissen kunnen hun zelfcriticus tot bedaren brengen met de woorden dat ‘het toch geen persoonlijke falen is, maar een ziekte waar ze niks aan kunnen doen’. 

Die strategie is begrijpelijk in een prestatiegerichte samenleving. Maar het maskeert het onderliggende probleem van labelen: we pathologiseren en beschamen dat wat menselijk is. 

De drie vrouwen in mijn familieopstelling kijken mij aan. “Jeetje, je bent je hier echt helemaal aan het laten gaan, hè,” hoor ik mijn eigen stem tegen mijzelf zeggen: “moet je je niet een beetje gedeisd houden? Anders komen ze erachter dat er iets mis met je is. En vinden ze je een angsthaas, een huilebalk met emotionele regulatie problemen.” De begeleider ziet dat ik mijn verdriet onder controle probeer te krijgen en zegt: “Laat het maar gaan. Het mag er zijn. Wij zien je verdriet.” En ik geef me weer over aan de tranen.

Het huilen houd op en er ontstaat ruimte. Ik hoor een fluisterend stemmetje een nieuw verhaal beginnen: “Misschien ben je geen borderliner met melancholische en paniekerige trekjes, maar een normaal mens met een groot gemis.”

“We hebben allemaal de behoefte om gezien, begrepen en geliefd te worden. En helen wanneer we ons veilig en verbonden voelen met ons lichaam en anderen.”  

Labels wekken de illusie van een individuele tekortkoming, terwijl de meesten van de gelabelden een trauma hebben opgelopen, volgens arts en schrijver Gabor Maté. In de documentaire The Wisdom of Trauma verteld Maté dat trauma’s, groot of klein, ervoor zorgen dat mensen van zichzelf vervreemden. En dan wordt het moeilijk leven. 

labelen naar compassie

De arts gaat nog verder: we leven in een getraumatiseerde samenleving. “Wat we abnormaal noemen is eigenlijk een normale reactie op een abnormale cultuur. Binnen deze cultuur wijzen we naar de pathologie van individuen, terwijl de abnormaliteit in wezen in de cultuur zit die mensen laat lijden.” Prestatiedruk, vermogensongelijkheid, klimaatverandering, woningtekort, eenzaamheid, oorlog… Niet gek dat we in deze context gek worden en trauma’s oplopen. Maté ziet dat het in onze cultuur moeilijk is om mens te kunnen zijn: “Want dat wat we civilisatie noemen vraagt om het ontkennen van onze menselijke behoeften.” Naar vrijheid, liefde, geborgenheid, gelijkheid, verbinding…  

Voorbij het pathologiseren en de schaamte is iets menselijks mogelijk.

Zijn missie: een samenleving waarin ouders, leraren, artsen, beleidsmakers en juristen niet meer bezig zijn met diagnosticeren, gedrag fixen, oordelen en symptomen onderdrukken met pillen, maar opzoek gaan naar de bron van waaruit problematisch gedrag en ziektes ontstaan. Compassie is key, ziet Maté. Wanneer we vanuit medemenselijkheid en acceptatie kijken naar onze onbewuste drijfveren kunnen we onszelf bevrijden van trauma’s en onderdrukte emoties. “We hebben allemaal de behoefte om gezien, begrepen en geliefd te worden. En helen wanneer we ons veilig en verbonden voelen met ons lichaam en anderen.” 

Misschien hebben we geen labels nodig, maar het inzicht dat wij mensen een complexe combinatie zijn van de dingen die in onze levens hebben plaatsgevonden en de manier waarop wij en anderen hierop gereageerd hebben. Misschien hebben we allemaal wel net zoveel behoefte aan liefde en gezien worden, hebben we dat allemaal in meerdere of mindere mate gekregen in onze jeugd of in onze huidige situatie en kan het gemis van die basisbehoeften ons verbinden in plaats van opdelen. Want voorbij het pathologiseren en de schaamte is iets menselijks mogelijk. En kunnen we samen onze wonden helen. 

“Wat heeft het gemis nodig?” vraagt de begeleider van de opstelling. “Oneindige liefde,” zeg ik. En zie de liefdevolle blikken van de representanten. Ik vraag een vierde persoon of ze ‘oneindige liefde’ wil representeren in mijn familieopstelling. Ze omhelst mij en het enige wat ik nog voel is warmte en rust. Mijn verdriet wordt gedragen. De representant van mijn vader voelt zich vrijer en ik voel dat ik niks meer van hem nodig heb. “Je bent zelf oneindige liefde,” zegt oneindige liefde en we knuffelen elkaar.