Ethisch dilemma: Moet er een rijkdomsgrens komen?

Onze wereld verandert snel. Dat wat vroeger vanzelfsprekend was, is nu ineens niet meer zo zeker. Zonder religie om ons te vertellen wat we moeten doen zijn we aangewezen op ons eigen morele kompas. Wij helpen je op weg met de ingewikkelde ethische dilemma’s van vandaag de dag. De vierde lastige vraag die onze redacteur Roanne te lijf gaat: moet er een rijkdomsgrens komen?

Mijn opa en oma zijn beiden geboren in welvarende families in de jaren ‘40. Rebellen als het waren, hebben ze deze rijkdom niet voortgezet. Ze wilden ontsnappen aan de manier waarop hun ouders leefden en vertrokken naar Frankrijk. Daar begonnen ze een boerderij met een koe, schapen en een grote moestuin. In de zomer diende een stuk van hun land als camping.

Het was niet de romantische droom die ik me vaak voorstel bij ‘lekker leven in het groen’. Mijn grootouders leefden in armoede en maakten kennis met de harde realiteit van het boerenleven. Een koe slachten, is niet zomaar gedaan. En om rond te komen moesten ze zorgen voor voldoende verkoop van hun groenten. In een afgelegen Frans gebied in de jaren ‘60 en ‘70 was dat nogal een gedoe.

In deze realiteit groeide mijn moeder op. De opvoeding die mijn moeder kreeg, stond in schril contrast met de opvoeding van mijn oma in een vrijstaand huis met een dienstmeid.

Onderzoeken wijzen uit dat financiële armoede niet goed is voor een mens. Het zet ons in de overlevingsstand, waardoor we alleen nog maar kunnen focussen op de korte termijn.

Tegelijkertijd is financiële rijkdom ook niet goed voor onze mentale gesteldheid. Mijn grootouders ontsnapten vanuit een gevoel van onbehagen aan de rijkdom van hun familie en alles wat daarbij kwam kijken. Opgevoed worden door een dienstmeid in plaats van je ouders, is nogal wat. En als de verwachtingen zo hoog liggen, dan snap ik wel dat je wilt vluchten.

In Nederland hebben we een armoedegrens. Maar geen rijkdomsgrens. Volgens sommigen ethici en politiek filosofen moet die er wel komen. Is het een goed idee om een grens te stellen aan de rijkdom die iemand mag vergaren? Of komt dit verlangen voort uit jaloezie en moeten we niet sollen met de ‘verdiensten’ van de allerrijksten?

Grens aan geld-geluk

‘Geld maakt gelukkig,’ totdat het jaarinkomen van mensen stijgt naar 58.000 euro, ontdekten Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman en econoom Angus Deaton. Daarna blijft het geluksgevoel gelijk. De Belgische gezondheidseconoom Lieven Annemans ontdekte zelfs dat de levenstevredenheid van mensen met een maandelijks salaris boven 4000-4500 euro afneemt. Iemand met een inkomen van 4000 euro is gelukkiger dan iemand die 2500 euro per maand ontvangt. Maar mensen die 6000 euro verdienen zijn ongelukkiger dan degenen met 4000 euro in de maand en ervaren hetzelfde geluksniveau als degenen met 2500 euro.

De allerrijksten geven aan te kampen met hoge werkdruk, veel stress, een voortdurend verlangen naar meer en minder goede vriendschappen en sociale relaties. Daarnaast voelen ze vaak ontevredenheid over hun werk, inkomen en woonomstandigheden. De onrust en onvrede proberen ze te compenseren met dure spullen, maar die geluks-rush is maar van korte duur. De ogenschijnlijke luxe positie van rijken is dus geen gegeven. Sterker nog: (te)veel geld maakt ongelukkig.

Stof tot nadenken. Als ons geluksgevoel gelijk blijft of zelfs afneemt wanneer je salaris toeneemt, en tegelijkertijd over de hele wereld mensen in armoede leven en aan het ‘overleven’ zijn, is het dan niet moreel wenselijk om het overschot van de rijken aan de armen te geven?

Herverdelen

Vanuit de utilistische ethiek zou dit een goed idee zijn. Het utilisme zegt: dat wat het meeste welzijn oplevert voor zoveel mogelijk mensen is moreel wenselijk. Wanneer je verder bouwt op het onderzoek van Kahneman en Annemans, zouden zowel de rijken als armen er in levenstevredenheid op vooruit gaan zodra rijkdom herverdeeld wordt. Daarom zou herverdeling vanuit een utilistische bril moreel wenselijk zijn.

Maar hoe breng je deze herverdeling in de praktijk? Je kan flink belasting heffen op hoge inkomsten en vermogens. Maar je zou ook een rijkdomsgrens kunnen invoeren. Aangezien mensen boven een bepaalde grens niet per se gelukkiger worden en zelfs minder geluk kunnen ervaren, is dit niet eens zo’n slecht idee. Alle bedragen, bijvoorbeeld boven de 58.000 euro per jaar, zouden dan geïnd kunnen worden.

Jaloeziebelasting

Ondanks de voordelen in levenstevredenheid, is er vaak kritiek op dit soort plannen. Zo bestaat het idee dat mensen die deze rijkdommen niet hebben jaloers zijn en daarom het geld van de rijken af willen pakken. Dat wordt ‘jaloeziebelasting’ genoemd. Sommigen vinden zelfs dat alle belasting een vorm van diefstal is, want ‘dit geld is immers eerlijk verdient’. Dus daar moet de staat van afblijven, aldus de neo-liberalisten.

Het maximaliseren van individuele vrijheid wordt door hen als het belangrijkste goed gezien. En het is jouw individuele vrijheid om zoveel centen te verdienen als je wilt en aan deze vrijheid toornt niemand. De rechtvaardiging van deze overtuiging wordt gevonden in dat iedereen gelijke kansen heeft om rijk te worden, dus als je dat niet doet, dan ligt dat aan jezelf.

Niet eerlijk en gelijk

Volgens ethici Ingrid Robeyns en Dick Timmer is deze redenatie onterecht. Er is veel af te dingen op het idee dat rijken hun centen eerlijk verdiend hebben. De meeste rijkdom wordt namelijk van generatie op generatie doorgegeven. Dit is dus niet ‘verdiend’. Daarbij is het meeste geld verre van ‘eerlijk’ verdiend. Rijkdom wordt in veel gevallen vergaard door het afbreken van de natuur, het laag houden van lonen en het opschroeven van prijzen.

Daarbij klopt het argument dat iedereen gelijke kansen heeft niet. We kampen met grote vermogensongelijkheid en de plek waar iemand geboren wordt bepaalt welke kansen diegene wel of niet heeft. Word je in een achterstandswijk geboren, dan heb jij niet ‘dezelfde kansen’ als iemand uit ‘t Gooi. En iemand die in Bangladesh opgroeit heeft niet dezelfde toegang tot onderwijs, sociale infrastructuren en welvaart als kinderen in Nederland.

Rijkdom is dus meestal niet ‘eerlijk verdiend’ en niet iedereen heeft ‘gelijke kansen’. Moreel is er dus heel wat af te dingen op de manier waarop rijkdom wordt vergaard. Een rijkdomsgrens is daarom moreel gezien goed verdedigbaar, volgens Robeyns en Timmer.

Rijkdomsgrens

Daarbij zorgt een rijkdomsgrens ervoor dat vermogensongelijkheid minder wordt. Door deze grens in te stellen, kan het vermogen van de allerrijksten zorgen voor het opschalen van de lagere inkomens. En dat zorgt voor meer welzijn en welvaart in een samenleving. Tot 4500 euro in de maand neemt de levenstevredenheid immers toe.

Bovendien verbetert hierdoor de sociale cohesie. Wanneer ongelijkheid groter wordt, komen twee groepen die elkaar niet begrijpen tegenover elkaar te staan. Een rijke groep mensen die zichzelf gerechtvaardigd ziet veel geld te hebben tegenover een armere groep mensen. Je kan je voorstellen dat de realiteit van deze mensen haaks op elkaar staat. En dat dit niet veel goeds doet voor de samenleving als geheel.

Bewustzijnsshift

Waar je ook op het spectrum zit, veel of geen vermogen, iedereen heeft er baat bij om in een meer gelijke samenleving te leven. Zolang we nog geen rijkdomsgrens hebben, kunnen rijken zelf de overstap maken. Dat begint bij het loslaten van het idee van ‘recht hebben op dit geld, want eerlijk verdiend’. Geef het geld dat je eigenlijk helemaal niet nodig hebt aan degenen die het wél goed kunnen gebruiken. Van zowel het minder geld bezitten als het geven zelf wordt je namelijk gelukkiger. Twee vliegen in één klap dus.

Of zoals Ingrid Robeyns het omschrijft: “Rijke mensen kunnen met extra uitgaven geen bijkomend geluk meer kopen. Terwijl ze met hun geld zoveel arme mensen zouden kunnen helpen. Reden temeer om in te zetten op een nieuw ideaal: iedereen een beetje rijk, zo weinig mogelijk mensen superrijk.”

Iedere week meer tips en artikelen vol blikverruimende kennis in je mailbox? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief en ontvang gratis ons nieuwste e-magazine. Inspiratie gegarandeerd!