Ik wil gewoon ‘zijn’. Moet ik daarvoor ontsnappen uit de ratrace?

Prestatiedruk, geïnternaliseerd kapitalisme en de bijbehorende stress: leven in de 21ste eeuw gaat niet altijd over rozen. In deze context vraagt redacteur Roanne zich af: ga ik mee in de ratrace of stap ik eruit? “In mijn hoofd speelt zich steeds hetzelfde ontsnappingsplan af.” 

Ik houd van de boeken van Isabel Allende, omdat de personages – vooral de vrouwelijke – ‘gewoon zijn’. Zij hebben geen secundaire stemmetjes in hun hoofd die zeggen wat ze moeten doen, of iets wel of niet goed is, ze hebben geen vraagtekens bij wie ze zijn en ook geen talloze existentiële crisissen. Maar ze weten gewoon waarom ze op de Aarde gekomen zijn en wat ze hier te doen hebben. Zij hebben natuurlijk makkelijk praten want ze zijn fictief, maar wie zegt dat het leven zo vol twijfel moet zijn als dat van de millennial: zich – lijdend onder prestatiedruk – al ‘flexend’ en concurrerend een weg banend naar iets van een carrière. Tegelijkertijd op zoek naar een betaalbare woning in een schaarse, vermarkte samenleving. En altijd die vraag of je wel alles uit het leven haalt wat erin zit. Zoveel twijfel, zo weinig antwoorden. 

‘Alles wat we wilden,’ is de titel van een documentaire over millennials (geboren tussen 1980 en 2000) uit de creatieve sector die kampen met stress. Ze vertellen dat ze doen wat ze ‘wilden’, maar daardoor een continue prestatiedruk voelen om het te maken. Lukt dat niet, dan was dat hun eigen schuld. Veel millennials zullen zich hierin herkennen. Ik ook. Ik schrijf graag, want daar kan ik mijn creativiteit in kwijt en dat geeft voldoening. Maar het is nooit alleen ‘schrijven’. Het is ook een permanente twijfel aan mijn kunnen, rond proberen te komen als zelfstandige, de druk om mezelf te onderscheiden in een concurrerende wereld en om zo vroeg mogelijk te pieken op de carrièreladder. Het is geen tijdperk van alles wat we wilden, maar eentje waarin we van alles moeten. 

Tweederde van de millennials ervaart veel stress, volgens cijfers van EenVandaag. “Het allerbeste uit jezelf halen is de norm geworden”, zegt psycholoog en millennial onderzoeker Thijs Launspach. Millennials denken: “‘als ik geen goede baan heb, een huis in Amsterdam en een leuke relatie met iemand die in al mijn behoeften voorziet, dan ben ik een loser.’ Zo zijn we gaan geloven dat een druk leven een goed leven is. Maar dat brengt ook stress met zich mee.” 

Net als de gemiddelde millennial, probeer ook ik het gevoel van chronisch tekort schieten weg te mediteren en yogaën, maar het geïnternaliseerde kapitalisme blijft: het stemmetje dat – ondanks mijn prestaties – nog steeds in mijn oor zit te tetteren dat het niet goed genoeg is. 

Om gewoon te kunnen zijn – zoals Allende’s karakters – voelt het vaak alsof ‘uit de ratrace’ stappen de enige optie is. En dan speelt zich weer hetzelfde ontsnappingsplan in mijn hoofd af: ik ga naar Portugal waar het land goedkoop is en de politiek links. Daar ga ik dan lekker helemaal permaculturen met allemaal dieren en fijne mensen die ook zijn ontsnapt. En dan leven we nog lang en gelukkig. Zonder twijfel, prestatiedruk en kleine kapitalisten in onze hoofden die schreeuwen dat we niet goed genoeg zijn.

Misschien is mijn verlangen om uit de ratrace te stappen in mijn DNA verweven. Mijn familie bestaat voor een groot deel uit geschoolde mensen die dachten: ‘Joe, mij niet gezien’. Opa en oma kwamen uit rijke gezinnen, maar trokken de drukkende sfeer niet en peerden ‘m naar Frankrijk, waar ze een boerderij begonnen. Mijn vader studeerde wiskunde, maar werd timmerman. En mijn moeder studeerde fysische wetenschappen en Europese studies. Zij is nu keramist. Opvoedkundig gezien ben ik dus niet echt gebouwd om mee te doen aan dit systeem. 

Maar ook mensen zonder gekke hippie-voorouders voelen de last van de ratrace en hebben de behoefte om te verdwijnen. #vanlife is niet voor niks een ding (al weet ik niet of een camper kopen en daar 24/7 over insta-en ‘uit de ratrace’ stappen is). Voor de Groene Amsterdammer schreef ik twee jaar geleden tijdens mijn stage een artikel over hoogopgeleide jongeren die uit de ratrace stappen door boer, fietskoerier of yogadocent te worden. Dat het onderwerp leeft, bleek uit hoe goed het artikel het deed (dat was een kleine piek op mijn denkbeeldige carrièreladder). 

Sindsdien merk ik dat steeds meer mensen de wens delen om uit de ratrace te stappen. Mijn vriend heeft dezelfde route genomen: hij rondde zijn studie antropologie af en werd timmerman. En veel vrienden zijn nu ook met de handen aan het werk. Wanneer ik opper – in een gesprek dat gaat over de huidige stand van zaken in onze samenleving – om naar Portugal te emigreren, zeggen de meeste mensen ‘let’s go!’ We willen minder van dat presteren, ‘druk, druk, druk’ en alle ballen in de lucht moeten houden. En meer van dat gewoon ‘zijn’.

Petra en Robbert zijn mensen die ‘gewoon aan het zijn’ zijn. Een tijdje terug ontmoette ik hen via het web. Teleurgesteld in het kapitalisme ontdekte ze dat er ook iets anders mogelijk was: de geefeconomie. Een samenleving waarin onvoorwaardelijk gegeven en ontvangen wordt. En daarvoor moet je per direct het kapitalisme uit, volgens het stel, want: “Het kapitalisme is gebaseerd op angst, op ‘voor wat, hoort wat’ en voorwaardes die bepalen of jij waardig bent. En dat is geen liefde.” Ik appte een tijdje met ze heen en weer en verdiepte mij in hun manier van leven. Momenteel reizen ze rond in een camper met hun twee kinderen en hond en leven ze van giften. Elke dag kijken ze wat goed voelt. Ze doen niet meer aan: ‘moeten’, ‘niet goed genoeg voelen’ of ‘twijfels over het een of ander’. 

“Sommige mensen noemen ons parasieten van de samenleving,” vertelde Petra. De kritiek op hun manier van leven is groot, want “wie zijn zij, om gewoon uit het systeem te stappen”. Kennelijk wordt dit ervaren als een solidariteits-kwestie: we zitten er allemaal in, of niemand zit erin. In ons gesprek kwam ik er nog niet uit of ik de dingen zo zwart-wit zag als ‘in’ of ‘uit’ het systeem. Ik vroeg me af of er ook iets tussenin zit. Als ik met vrienden ben en we eten gewoon wat en kletsen een beetje, zitten we dan ook ‘in het systeem’ omdat we die dag allemaal gewerkt hebben en ons geld verdiend hebben in de ratrace? En kan je als journalist überhaupt wel uit ‘een systeem’ stappen, moet je daarvoor niet juist precies middenin het systeem zitten? Ik wist het niet, zoals een doorgewinterde millennial het vaak niet weet. 

Laatst wilde ik wel eens even wat dingen weten. Een vriendin ging naar een ziener en ervaarde dit als haar redding: “Anders was ik nu nog depressief geweest”, ontboezemde ze en: “Iedereen moet hierheen.” Ik was geïntrigeerd en maakte een afspraak. Op de afgesproken tijd en datum kwam ik in een ruimte die alle trekken had van een jaren ‘80 sitcom. Inclusief de schilderijen, het pak en de stropdas van de ziener in kwestie. Het was een oude man van in de zeventig met een klein brilletje en een frons op zijn voorhoofd. “Wat brengt je hier”, vroeg hij. Wat me even deed twijfelen over wat ik hier eigenlijk ook al weer kwam doen. Ik brabbelde iets over angst en niet weten hoe of wat te doen in het leven. “Je hebt je kracht weggestopt, toen je heel klein was”, zei de ziener: “en waarom heb je dat gedaan?” Het was een retorische vraag en hij sloot zijn ogen om het antwoord te zoeken: “Omdat je door jouw gevoeligheid aanvoelde dat jouw ouders te kwetsbaar waren om jouw kracht aan te kunnen. En dus sloot je jezelf af.” Hij keek ernstig. Wat maakte dat ik om de balans te bewaren luchtig en frivool ging doen. “Maar iedereen heeft die kracht dan lijkt me?” vroeg ik met een ironische glimlach. “Nee, iedereen is anders. Jij hebt een bovengemiddelde kracht. Nu gaan we dat aanwakkeren.” Hij sloot zijn ogen weer en concentreerde zich op iets, wat dat iets ook geweest mag zijn. 

Het klonk geweldig. Een tegenovergesteld verhaal dan mijn omgeving en ik elkaar jaren verteld hadden: ik was dus niet een twijfelend persoon, maar omdat ik mijn kracht had weggestopt was ik zo geworden. Het waren antwoorden, maar mijn hoofd maakte overuren om mijn verhaal te herschrijven: wat houdt die kracht dan precies in? En waarom ben ik nog niet ‘gewoon aan het zijn’? Een tweede en derde sessie van een kwartier volgden en elke keer was ik tachtig euro lichter en nog net iets meer in de war. 

Vorige week zou ik voor een vierde sessie naar de ziener gaan en dan zou hij weer antwoorden geven. Maar ik wilde niet. In plaats daarvan ging ik op de grond liggen en staarde naar het plafond. Mijn hoofd ging een standje lager: alle ideeën over mindfulness-technieken, yogahoudingen, kleine kapitalisten, prestatiedruk en de ratrace waren afwezig. Alsof de blokkade rond mijn nekgebied – die ervoor zorgde dat ik mijn hoofd bleef ronddwalen – ontspande en ‘ik’ kon afdalen naar lager gelegen gebieden. Mijn lichaam werd zwaar, maar rustig. Vanuit mijn borstkas voelde ik een warme stroom en een zin: ‘dit is gewoon zijn, de rest komt vanzelf wel’. Kennelijk kan mijn hart praten. ‘Is dat dan het befaamde ‘luisteren naar je hart’, hoorde ik mezelf denken. Maar die analysestroom heb ik maar uitgezet. 

Gewoon even zijn.