De eindtoets zorgt voor competitie en ongelijkheid. Zo maken we onderwijs eerlijker én gelukkiger

De eindtoets op de basisschool … nog nooit was die zo stressvol en allesbepalend als nu. Terwijl er van alles aan schort, weet onderzoeker Karen Heij, die op het onderwerp promoveerde. Zo meet de eindtoets – bij de meesten bekend als de Cito – maar een heel klein deel van de vaardigheden van leerlingen én werkt de toets kansenongelijkheid in de hand. Karen: “In de rest van Europa hebben ze allang gezien dat het anders kan.”

“De eindtoets nemen we in Nederland op twaalfjarige leeftijd af, waardoor we kinderen heel weinig tijd en ruimte geven om zich gezamenlijk te ontwikkelen”, vertelt Karen Heij, die in 2021 promoveerde op de eindtoets in het basisonderwijs. “Daarbij is het selectiemoment enorm gedifferentieerd. Het is geen keuze tussen meer praktisch of meer theoretisch onderwijs. Nee, we hebben zes vakjes De vakjes waar Karen op doelt zijn: pro/vmbo bb, vmbo bb/vmbo kb, vmbo kb/vmbo gl-tl, vmbo gl-tl/havo, havo/vwo en het enkelvoudige advies vwo. waaraan we kinderen op zeer jonge leeftijd toewijzen. En zit je eenmaal in zo’n vakje, dan is het heel moeilijk om daar nog uit te komen.”

“We meten niet langer wat we doceren, maar we doceren wat we meten”

Waar het schooladvies vroeger vooral gebaseerd was op het oordeel van docenten, zijn toetsen – en vooral de eindtoets – tegenwoordig doorslaggevend. “Wettelijk gezien is de eindtoets een second opinion”, legt Karen uit. “Maar de inspectie moedigt docenten aan hun oordeel over het kind te baseren op de toetsen uit het leerlingvolgsysteem van groep 6, 7 en 8, want die ‘voorspellen’ het best wat er uit de eindtoets komt.” Hierdoor is de focus op een heel smal deel van de talenten van kinderen komen te liggen, want deze toetsen draaien om begrijpend lezen en rekenen. Karen: “Dat komt niet omdat we dingen als schrijfvaardigheid of creativiteit niet belangrijk vinden, maar omdat we dat met meerkeuzevragen niet goed kunnen meten. En doordat scholen beoordeeld worden op hun toetsscores, zie je dat ze in hun lesprogramma’s steeds meer aandacht besteden aan hetgeen dat gemeten wordt. We meten dus niet langer wat we doceren, maar we doceren wat we meten.”

Constante vergelijking

En er is meer. Kinderen worden op school namelijk niet alleen op een beperkt deel van hun talenten beoordeeld, maar ook nog eens in constante vergelijking met elkaar. Dat zit zo:

  • Kinderen starten hun basisschooltijd in een cohort met leeftijdsgenootjes. Ieder jaar worden ze – op basis van de toetsresultaten uit het leerlingvolgsysteem – binnen dat cohort met elkaar vergeleken en ingedeeld in groepen van twintig procent. Zo krijgen kinderen bijvoorbeeld het stempel ‘a’tje’ of ‘e’tje’, afhankelijk van in welke twintig-procent groep ze terechtkomen
  • Ook de eindtoets draait om het onderling vergelijken van kinderen binnen een cohort. Zodra de resultaten van alle groepen 8 binnen zijn, worden de leerlingen ten opzichte van elkaar geordend. Iedereen die lager heeft gescoord dan het gemiddelde krijgt vmbo-advies. En kinderen die hoger hebben gescoord dan het gemiddelde mogen naar havo of vwo.
  • Je bent voor je positie in de rangordening afhankelijk van hoe de rest heeft gescoord. Hierdoor kan het zo zijn dat je bij de eindtoets met eenzelfde vaardigheid in een ander jaar een ander schooladvies had gekregen. Die vergelijking van kinderen is ook de basis van de toetsen van het leerlingvolgsysteem. Kortom: niet de individuele prestatie van een kind, maar de score in vergelijking met die van leeftijdsgenootjes staat centraal.

Wedstrijdmodel

Kinderen concurreren hierdoor van hun vierde tot twaalfde levensjaar continu met elkaar, want het aantal ‘winnaars’ – dat wil zeggen, de leerlingen die in de ‘hoogste’ categorie terechtkomen – is beperkt. Dit zorgt voor ongezond veel druk, een slecht zelfbeeld bij de helft van de leerlingen die het stempel ‘ondergemiddeld’ krijgt én het bestendigt kansenongelijkheid: “Het probleem is dat de finish – de eindtoets – wel voor iedereen op hetzelfde punt ligt, maar dat niet iedereen op hetzelfde punt aan de wedstrijd begint”, licht Karen toe. “Naarmate de tijd vordert, wordt het steeds lastiger om je achterstand in te lopen, want jouw leeftijdsgenootjes – degenen met wie jij in de wedstrijd zit – staan ook niet stil. Zelfs als je even hard vooruitgaat als kinderen die met een voorsprong zijn gestart, kun je dus nog steeds jaar in jaar uit te horen krijgen dat je bij de zwakke groep hoort. Dat gaat zich vastzetten in de hoofden van kinderen als: ik ben zwak, ik ben dom, ik ben niet goed genoeg. Met als gevolg dat de helft van onze kinderen zich uitgerangeerd voelt, terwijl ze een enorme bak talenten aan de samenleving te bieden hebben.”

“Kinderen zo lang mogelijk de tijd bieden om zich samen te ontwikkelen, dat is het model dat leerlingen de meeste kansen biedt”

Allerlei kinderen trekken hierdoor aan het kortste eind, zoals leerlingen met een niet-Nederlandse moedertaal. Karen: “Uit onderzoek weten we dat kinderen ongeveer acht jaar nodig hebben om zich de taal zoals die op school wordt gebruikt eigen te maken. Als je de uitkomsten van het leerlingvolgsysteem van groep 6, 7 en 8 meeneemt in je schooladvies én je de eindtoets al op twaalfjarige leeftijd afneemt, dan hebben deze kinderen dus relatief weinig tijd om hun achterstand in te lopen.” Hiermee bestendigt dit hele systeem de plek waar onze wieg heeft gestaan. Worden we geboren in een gezin met ouders die de taal van het onderwijs goed beheersen en een hbo- of wo-opleiding hebben afgerond, dan is de kans vele malen groter om daar zelf ook terecht te komen.

Hoe kan het anders?

Natuurlijk is het helemaal niet erg om vmbo-advies te krijgen, benadrukt Karen. Sterker nog: onze samenleving draait op mbo’ers en dat zal in de toekomst alleen maar toenemen. Waar het om gaat is dat de huidige manier van toetsen en adviezen geven kinderen niet stimuleert in hun ontwikkeling, maar juist afremt. Waardoor een groot deel na acht jaar zwoegen met een slecht zelfbeeld op de verkeerde plek belandt en we kansenongelijkheid in stand houden.

“Kinderen zo lang mogelijk de tijd bieden om zich samen te ontwikkelen, dat is het model dat leerlingen de meeste kansen biedt”, weet Karen. “In de meeste Europese landen hebben ze dat allang door. Het is tijd dat wij dat ook inzien. Want een fijne samenleving bouwen, daar hebben we ieders talenten voor nodig en dus moeten we iedereen in z’n kracht zetten. Dat begint in het onderwijs.”

Meer weten over het promotieonderzoek van Karen Heij? Bekijk haar videoportret:

Op zoek naar inspirerende scholen die bewijzen dat het anders kan? Lees dit artikel over regeneratief onderwijs. En schrijf je in voor onze nieuwsbrief, dan mis je niks én krijg je ons laatste e-magazine cadeau.